Copy
SKILLNET– Sharing Knowledge in Learned and Literary Networks
Beste vrijwilliger,

Onze wereld begint zich weer te openen – voor sommigen te langzaam, voor anderen te snel. Duidelijk is dat het Corona-virus zich niet eenvoudig laat indammen en ook telkens manieren vindt om onze verdedigingen te omzeilen. Het virus verspreidt zich via het netwerk dat wij mensen met elkaar vormen. We zeggen wel eens dat bepaald nieuws ‘viraal’ gaat: dat betekent een zeer snelle verspreiding over een heel sociaal netwerk heen. Het is duidelijk dat niet iedereen evenveel bijdraagt aan de verspreiding: door afstand houden voorkom je dat je een doorgeefluik wordt, maar een danstent wordt een ‘brandhaard’ genoemd. In netwerktermen is dat een ‘hub’: een knoop (node) in het netwerk die heel veel connecties (links) naar andere nodes heeft. Het weghalen van zo’n hub helpt in het afremmen van de verspreiding van een virus of van nieuws, maar kan zelden verspreiding voorkómen. Als zo’n hub onderdeel is van een hecht netwerk (high density network) dan zoekt het een andere weg. Wel helpt het als zo’n hub een strategisch belangrijke positie heeft in het netwerk: bijvoorbeeld als ze een ‘brug’ vormt tussen twee groepen of gemeenschappen die verder geen contact met elkaar hebben maar die onderling wel veel connecties hebben. Zo’n hub overbrugt dan wat we in netwerktermen een ‘structureel gat’ noemen: een virus of nieuws-item dat van de ene gemeenschap naar de andere wil komen móet dan via die brug gaan. Die brug is dan een 'broker': een ‘makelaar’ die de contacten tussen twee groepen reguleert door sommige informatie wel, en andere informatie niet door te spelen.

Ik moet de laatste tijd vaak denken over de analogie tussen het virusnetwerk en de Republiek der Letteren. Eigenlijk bestaat er geen virusnetwerk: het virus is ‘informatie’ die zich verspreidt via een sociaal netwerk (menselijk of dierlijk). Ook in ons onderzoek naar de Republiek der Letteren willen we weten wie met wie in contact staat. Kijken naar briefcontact ligt het meest voor de hand. Maar er zijn natuurlijk ook andere soorten contacten denkbaar. Als je collega op dezelfde universiteit werkte dan kon je elke dag met elkaar mondeling informatie uitwisselen – veel effectiever nog dan via een brief. Maar omdat een gesprek geen sporen in het archief nalaat lijkt het soms of twee knopen in het brievennetwerk geen contact hadden: ze lijken not on speaking terms, maar waren dat misschien juist wel. Daarom is het ook belangrijk om te noteren waarvandaan brieven werden verstuurd, want als twee knopen zich op dezelfde plek blijken te bevinden, dan is het erg waarschijnlijk dat we ze met elkaar mogen verbinden. Maar dat betekent wel dat we in ons netwerkmodel niet alleen ‘briefcontact’ als link moeten opnemen, maar ook ‘buren’ of ‘zelfde werkgever’. Iets dergelijks heeft onze student Rosalie Versmissen gemodelleerd: zij keek niet alleen naar de briefcontacten tussen 16e-eeuwse geleerden uit de Nederlanden, maar ook naar de gedichten die ze voor elkaar schreven in hun poëzie-albums, naar het gedeelde lidmaatschap van dichtersgenootschappen (rederijkerskamers) en naar andersoortige contacten, genoemd in biografieën van de betrokkenen. U kunt haar blog hier lezen als voorpublicatie. Het blijkt dat geleerden die met elkaar in het Latijn correspondeerden misschien wel een ‘geleerd netwerk’ vormden, maar dat ze behalve geleerden óók nog gewone mensen waren die onderdeel waren van een groter netwerk van dichters en kunstenaars, waarin mensen verschillende relaties met elkaar onderhielden: van collega tot familielid, van stadsgenoot tot mede-migrant.

Ook al is het duidelijk dat briefcontacten onze belangrijkste bron blijven voor het reconstrueren van de geleerdengemeenschap, idealiter zouden we ook andere contacten tussen mensen willen modelleren. Ik hoop het onderzoek daarnaar verder te kunnen stimuleren in mijn nieuwe hoedanigheid als directeur van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen: per 1 oktober 2021 ga ik drie dagen per week in Amsterdam werken om leiding te geven aan het uitvoeren van het wetenschappelijk programma van het grootste onderzoeksinstituut in Nederland op het gebied van de Geesteswetenschappen. De missie van het instituut is om de geschiedenis te ontrafelen door met digitale technieken historische bronnen te bestuderen. Eén van de ambities is om werk te maken van crowdsourcingsprojecten, óók als het gaat om correspondenties. Het CEMROL-project is in zekere zin nog maar het begin.

Toch gaan we het CEMROL-project de komende anderhalf jaar netjes afronden, en wel door ons te concentreren op een bepaald aantal briefwisselingen die voor ons onderzoek belangrijk zijn en die écht af moeten. Zo zorgen we ervoor dat we straks een mooie, afgeronde hoeveelheid van volledige data hebben. Over die dataset leest u hieronder meer. Ik wil u heel hartelijk danken voor uw tomeloze inzet om dit project tot een goed einde te brengen en hoop u na een welverdiende zomervakantie terug te zien!

Dirk van Miert, projectleider
Data-eindsprint 18 november

Eind 2022 zal het SKILLNET-project afgelopen zijn en daarmee helaas ook CEMROL. U heeft als vrijwilliger al veel werk verzet (zie CEMROL-nieuws hieronder), maar we willen graag een eindsprint inzetten. Daarom organiseren we net als vorig jaar weer een datasprint. In een datasprint verzamel je met een groep in één samenkomst zoveel mogelijk data. We zullen elkaar op donderdagmiddag 18 november 2021  ontmoeten. Voor de veiligheid en om zoveel mogelijk mensen in de gelegenheid te stellen mee te doen, zal ook deze datasprint weer online plaatsvinden via het videoconferentie-programma ZOOM. Meer informatie en het programma volgen na de zomer. U kunt zich wel alvast aanmelden via skillnet@uu.nl.

Na deze eindsprint gaan we alle data die we vanaf het begin van CEMROL hebben verzameld analyseren. De resultaten zullen we bekend maken in een feestelijke slotdag voor CEMROL-vrijwilligers in het voorjaar van 2022.

SKILLNET-webinarserie

door Dirk van Miert

Van 2 april tot 4 juni organiseerde het SKILLNET-team een serie webinars (online bijeenkomsten) in het Engels over de vraag hoe het eigenlijk zit met de Republiek der Letteren buiten Europa: waren er elders in de wereld ook soortgelijke gemeenschappen van geleerden? Schreven ze daar ook brieven met elkaar over de grenzen van politiek, religie en taal heen? Het antwoord luidt: ja en nee. Elke paar weken kwam drie collega's aan het woord die vertelden over geleerdennetwerken in Japan, China, Centraal Azië, het Midden-Oosten, Noord-Afrika, het Atlantische gebied, maar ook over netwerken van vrouwen en Joden in Europa. Eigenlijk werd nergens ter wereld zo veel per brief gecommuniceerd als in Europa, maar er waren wel degelijk netwerken van meesters en leerlingen, van rondreizende geleerden die elkaar ontmoetten in salons, van geleerden die gedichten aan elkaar stuurden, of van mensen die handschriften en boeken met elkaar uitwisselden. De meeste brieven zijn overgeleverd uit China: het gaat om duizenden brieven en die worden ook verzameld in een mooie database. Voor andere gebieden moeten we de netwerken op een andere manier in kaart brengen. Zo kan je zelfs gemeenschappen ontwaren aan de verschillende 'lagen' van commentaren die geleerden in de kantlijnen van boeken en handschriften achterlieten, en waarin ze op elkaar reageren. Ook zo ontstaat een soort discussie-gemeenschap door de tijd heen.  Verder hebben we kunnen leren dat er gemeenschappen ontstaan van intellectuelen die telkens naar dezelfde auteurs of historische figuren verwijzen en zo een gedeeld intellectueel verleden geschapen hebben: een gemeenschappelijk referentiekader dat een zekere collectieve identiteit verleende aan de mensen die boeken schreven waarin ze elkaar citeerden of gebruik maakten van dat referentiekader. Tot slot bleek tijdens de webinar-serie dat historici vandaag de dag telkens het begrip 'Republiek der Letteren' weer op hun eigen manier begrijpen. De term Respublica literaria werd niet in niet-Europese culturen gebruikt; vaak dienden bepaalde religieuze of filosofische scholen of tradities als label om groepen intellectuelen mee aan te duiden. Conclusie: hoewel geleerden ook buiten Europa over de grenzen heen met elkaar communiceerden en op die manier intellectuele netwerken vormden, is de term 'Republiek der Letteren' en de overstelpende hoeveelheid overgeleverde brieven uniek voor Europa. Veel van de voordrachten (zo'n 20 minuten per lezing) zijn te bekijken op ons YouTube-kanaal: https://www.youtube.com/channel/UCyOdENh0Bo6Nr7rJZ2lZ93Q/videos.

CEMROL-nieuws
In december 2018 – het moment dat CEMROL gelanceerd werd in het Universiteitsmuseum Utrecht – begon een enthousiaste groep vrijwilligers met het markeren en transcriberen van vroegmoderne brieven. Nu, ruim twee en een half jaar later, zijn er 1055 vrijwilligers actief die samen voor 612.808 classificaties hebben gezorgd. Hierbij staat één classificatie gelijk aan één veld dat gemarkeerd of getranscribeerd is. Dit resultaat zien we ook terug in de gebruikersstatistieken in figuur 1. De stijgende lijnen laten zien dat een actieve groep vrijwilligers zich consistent heeft beziggehouden met de vroegmoderne brievenedities op het platform. En daar zijn we natuurlijk heel erg trots op!


Figuur 1: Gebruikersstatistieken van CEMROL (klik voor vergroting)

De meeste boeken in CEMROL zijn in het Latijn, de lingua franca van de Republiek der Letteren. In figuur 2 zien we dat de Latijnse taal erg populair is onder de vrijwilligers gedurende de eerste maanden van CEMROL. Van juni 2019 tot en met november 2019 werden meer dan 1700 pagina’s gemarkeerd.
De grafiek laat ook zien dat de Italiaanse taal momenteel een inhaalslag maakt.


Figuur 2: Aantal gemarkeerde pagina’s in de verschillende talen (klik voor vergroting)

In november 2019 waren er 62 nieuwe boeken in CEMROL geüpload. Daarbij zat ook één Nederlandstalige editie. Deze editie was gelijk erg populair. De 575 pagina’s van deze editie waren binnen één maand allemaal gemarkeerd en getranscribeerd. Ook alle Engelstalige edities zijn sinds april 2020 allemaal afgerond.

De data die dankzij de CEMROL-vrijwilligers worden verzameld zullen worden gevisualiseerd in het programma Nodegoat. Via geografische en sociale visualisaties in Nodegoat kunnen wij de netwerken die er binnen de Republiek der Letteren hebben bestaan reconstrueren en beter begrijpen. Op het moment zijn er 890 brieven in Nodegoat ontsloten en in de komende maanden zullen hier meer brievenedities bij komen. Langzamerhand worden zo de contouren zichtbaar van de vroegmoderne intellectuele wereld.

Koninklijke Bibliotheek koopt brief van Anna Maria van Schurman

In maart 2021 heeft de Koninklijke Bibliotheek van een particuliere verzamelaar een brief gekocht die de Utrechtse geleerde Anna Maria van Schurman op 21 oktober 1675 aan haar arts Bernhard Swalve had geschreven. Dirk van Miert, die bij de aankoop betrokken was, geeft een toelichting op de website van de Universiteit Utrecht.

‘De onzichtbare vriend’ van de zestiende eeuw in de schijnwerpers: een geïntegreerd netwerk van geleerden, dichters en schilders uit de Nederlanden

door Rosalie Versmissen (Research Master-student geschiedenis)

Als je aan je eigen netwerk denkt, wat stel je je dan voor? Waarschijnlijk denk je aan je familie, klasgenoten, kennissen van het werk, en vrienden van deze mensen. In ons digitale tijdperk laten veel van onze connecties sporen na. WhatsApp, Facebook, LinkedIn, Twitter, e-mails en andere platforms stellen ons in staat met elkaar te communiceren. Toekomstige onderzoekers kunnen deze sporen wellicht gebruiken om professionele en sociale netwerken van 21e-eeuwers te reconstrueren en te bestuderen. Maar wat gebeurt er met de connecties die geen geschreven sporen achterlaten? De buren die vrienden worden, de klasgenoten die je vaak spreekt maar niet via sociale media? Wat gebeurt er met 'de onzichtbare vriend'?

Mensen in de zestiende eeuw kenden minder vormen van communicatie. Het schrijven van brieven naar verre vrienden en het gebruik van dichtbundels (alba amicorum; zie een voorbeeld hieronder) zijn enkele van de weinige sporen die in de loop der tijd bewaard zijn gebleven. Deze brieven en inscripties geven informatie over wie met wie in contact stond. Door de bestudering van briefwisselingen, van zestiende-eeuwse geleerden, hebben historici ontdekt dat vroegmoderne geleerden vaak spraken over de ‘Republiek der Letteren’, die sociaal gestalte kreeg als een web van epistolaire netwerken dat zich over heel Europa uitstrekte.


Het album amicorum van Janus Dousa.

Brieven zijn echter niet de enige sporen van contact tussen deze geleerden. Door onze focus op de brieven lijken de geleerden die wij bestuderen geïsoleerd te zijn van andere belangrijke groepen mensen, zoals schilders en dichters. Humanistische geleerden bewogen zich in dezelfde kringen als dichters in de volkstaal en beeldend kunstenaars, ook al beschikken we niet over bewaard gebleven briefwisselingen tussen hen. Om meer te weten te komen over deze connecties heb ik mij gericht op het sociale netwerk van zestiende-eeuwse geleerden in de Nederlanden. Mijn doel was niet om het hele netwerk van zestiende-eeuwse Nederlandse geleerden in beeld te brengen; ik selecteerde een aantal geleerden die actief waren in de Republiek der Letteren en die de meeste kans maakten op connecties met rederijkers en beeldend kunstenaars. Maar hoe kun je hun mogelijke connecties ontrafelen zonder directe schriftelijke communicatie?

Deze connecties worden vermeld in biografische verslagen of via inscripties in alba amicorum. Connecties kunnen worden verondersteld tussen drukkers en auteurs, of tussen schilders en opdrachtgevers. Sommige mensen zullen elkaar waarschijnlijk gekend hebben omdat ze in dezelfde tijd naar dezelfde school gingen en anderen moeten elkaar ontmoet hebben via het lidmaatschap van een rederijkerskamer. Rederijkerskamers waren verenigingen van dichters in de volkstaal die wedstrijden organiseerden en hun acts op straat opvoerden. Privé-bijeenkomsten brachten de leden met elkaar in contact. Alba amicorum waren, eenvoudig gezegd, vriendenboekjes die bijzonder populair waren onder studenten. Deze alba kunnen worden gezien als een documentatie van ontmoetingen tussen studenten, vooraanstaande professoren en andere mensen die de eigenaar van het album interessant vond. De bijdrage van een vriend of kennis aan een album bewijst de band tussen twee personen. Als men de metadata van de ontmoetingen samenvoegt (personen, plaatsen, data) ontstaat er een netwerk van ontmoetingen. Zelfs als vermeldingen in alba amicorum slechts getuigen van eenmalige ontmoetingen (niet noodzakelijk een bewijs van langdurig contact), kunnen zij inzicht geven in de ontmoetingen en contacten van de eigenaar.

Ik visualiseerde verschillende soorten connecties met behulp van Nodegoat en gaf elk type connectie een andere kleur. Op deze manier onderzocht ik of rederijkers die in de volkstaal schreven en beeldend kunstenaars passen in het uitgebreide netwerk van de Republiek der Letteren. Een klein deel van het netwerk dat uit mijn data ontstond is hieronder te zien.


De rode nodes (knopen of knooppunten) zijn personen; de blauwe nodes zijn connecties door inscripties in alba amicorum; de gele nodes zijn connecties door een andere manier van contact (b.v. publicatie, vriendschap, schilderij of school); de groene nodes zijn rederijkerskamers en hun leden. Briefcontact is in deze visualisatie buiten beschouwing gelaten.

Opmerkelijk is (bovenaan) de rederijker Pieter Heyns (Antwerpen, 1537-Haarlem, 1598). Hij schreef een bijdrage in het album amicorum van de historiograaf Emanuel van Meteren (Antwerpen, 1535-Londen, 1613). Als rederijker had Heyns echter eerder een centrale dan een marginale positie in dit netwerk. Hij was bevriend met Abraham Ortelius (1527-1598), de Antwerpse cartograaf die bijdroeg aan de alba van Emanuel van Meteren en van de koopman-dichter Johannes Vivianus (Valenciennes, 1543/6-Aken, 1598). De Antwerpse en Leidse drukker Willem Silvius (Den Bosch, 15**-Leiden 1580) drukte het werk van Heyns en was dus ook met hem verbonden. Silvius was bekend in de kringen van de rederijkers, maar drukte ook het werk van de beroemde edelman, geleerde en Latijns dichter Janus Dousa van Noordwijk (1545-1609) en de zeer succesvolle Italiaans-Vlaamse historiograaf Ludovico Guicciardini (Florence, 1521-Antwerpen, 1589). Guicciardini was op zijn beurt bevriend met Heyns. Tot zover zal de Antwerpse achtergrond van al deze mensen hebben geholpen om hen te verbinden: ook al was Antwerpen een grote stad, het vroegmoderne stedelijke landschap was van dien aard dat zij elkaar ook bij toeval vaak zullen zijn tegengekomen. Toen Heyns naar de Noordelijke Nederlanden vluchtte, sloot hij zich aan bij de rederijkerskamer in Haarlem. Daar was in deze periode ook de schilder en schrijver Karel van Mander (Meulebeke 1548-Amsterdam 1608), eveneens een Vlaamse migrant, lid van deze kamer. In Haarlem vormde Van Mander een studiegroep met zijn vrienden, de jonge schilder Cornelius Cornelisz (1562-1638) en de beroemde graveur Hendrick Goltzius (Bracht-am-Niederrhein, 1558-Haarlem 1617). Goltzius was de leerling van de dichter en filosoof Dirck Volkertsz Coornhert (Amsterdam, 1522-Gouda, 1590), die in Haarlem woonde (1541-1568) en verbonden was aan de rederijkerskamer in Amsterdam. Karel van Mander zelf was een leerling van de Gentse schilder-dichter Lucas D'Heere (1534-1584), die de alba van Emanuel van Meteren en Johannes Vivianus tekende. Het netwerk houdt hier niet op. De zoon van Pieter, Zacherias Heyns, werkte voor de Leidse drukker Jan Moretus, de schoonzoon van de beroemde Antwerpse drukker Christoffel Plantijn (ca. 1520-1589).

Het samenbrengen van verschillende soorten connecties laat zien dat Pieter Heyns deel uitmaakte van het grotere netwerk rond de historicus Van Meteren en de geleerde Johannes Vivianus. Ook zonder het gebruik van briefwisselingen zien we dat geleerden, rederijkers en beeldend kunstenaars deel uitmaakten van dezelfde kringen – een sociale wereld die we uit het oog verliezen als we ons alleen richten op briefwisselingen.

Dit betekent niet dat het toevoegen van briefwisselingen niet vruchtbaar kan zijn. Wat de visualisatie niet laat zien is dat Plantijn een correspondent was van Janus Dousa, die zelf een vriend van de wonderbaarlijk geleerde Haarlemse humanist Hadrianus Junius (1511-1574) was, wiens werken ook door zijn correspondent Plantijn werden gedrukt en die zijn huis verkocht aan Coornhert (die overigens een polemiek voerde met Dousa). Het spreekt vanzelf dat de toevoeging van de epistolaire gegevens aan dit netwerk nog meer connecties aan het licht zou brengen. Door verschillende soorten connecties uit biografische bronnen op te nemen, zoals hierboven vermeld, en epistolaire metadata, wordt het netwerk nog completer. Interessant in de briefwisselingen van de geleerden Alardus Amstelredamus (1491-1544) en Hadrianus Junius is hun gemeenschappelijke correspondent Arnoldus Sasbout, een hooggeplaatst raadslid (geb. 1583). Sasbout was goed bekend met de schilder Jan van Scorel (Schoorl, 1495-Utrecht, 1562), die een deel van zijn leven in Haarlem woonde, waar hij veel lof oogstte van Junius. Dit netwerk is hieronder zichtbaar.


Rode node = persoon; blauwe node = connectie door alba-inscripties; gele node = connectie door een andere manier van contact; groene node = connectie door rederijkerskamer; roze node = connectie door briefwisseling.

Ditmaal blijkt de stedelijke ruimte van Haarlem een integrerende werking te hebben gehad op de sociale banden tussen al deze leden van de culturele elite: Van Schorel, Coornhert, Junius, Van Mander, Cornelisz en Goltzius kenden elkaar allemaal in Haarlem, en daar kunnen we nog wel meer namen aan toevoegen, zoals die van de schilder-graveur Maarten van Heemskerck, de leerling van Van Schorel, met wie zowel Junius als Coornhert samenwerkten. De nabijheid van Junius, Heemskerck en Coornhert verklaart waarom er geen brieven bewaard zijn gebleven, maar als we verschillende soorten relaties in aanmerking nemen, wordt duidelijk dat de Nederlandse geleerden niet zo geïsoleerd waren als tot nu toe werd gedacht. Historici lieten de vrienden die geen directe sporen nalieten gewoon links liggen.

Verder onderzoek kan uitwijzen hoe de sterkte van de connecties verschilt of hoe we de connecties in briefwisselingen kunnen traceren via citatie-analyse en co-citatienetwerken. Dit zal ons in staat stellen meer kennis te vergaren over het sociale netwerk van geleerden, kunstenaars en rederijkers en zal helpen de onzichtbare vriend op te sporen.

Het SKILLNET-team wenst u een fijne zomervakantie!


Zeilwagens, in 1601/2 voor Maurits van Oranje ontworpen door de wiskundige en ingenieur Simon Stevin, op het strand van Scheveningen.

The research leading to these results is part of a project that has received funding from the European Research Council (ERC) under the European Union’s Horizon 2020 research and innovation programme (grant agreement No 724972).

 
Facebook
Twitter
Link
Website
Copyright © 2021 SKILLNET, All rights reserved.


Want to change how you receive these emails?
You can update your preferences or unsubscribe from this list.
View our privacy policy.

Email Marketing Powered by Mailchimp